Onvolledige gezinnen op 11 schepen uit Indië

Bert  Janssen voor Tubantia(en Algemeen Dagblad persgroep) 3 mei 2018

ENSCHEDE – Officieel rijksbeleid om per KNIL-soldaat maar drie kinderen vanuit Indië mee te mogen nemen, bestond niet. Fridus Steijlen, VU-hoogleraar Molukse migratie en cultuur, kent de verhalen daarover in de Molukse gemeenschap. „Die zijn snel te weerleggen als je naar de passagierslijsten kijkt van de schepen die in Rotterdam en Amsterdam aanlegden. Daarop staan talrijke kinderrijke gezinnen.”

Dat betekent echter niet dat individuele verhalen, zoals van Saar Letsoin uit Rijssen, niet zouden kloppen. „Alleen minderjarige ongehuwde zoons en ongehuwde dochters van elke leeftijd mochten mee naar Nederland.”

KNIL-soldaten en familieleden komen in 1951 aan in Nederland. De foto verraadt niet dat er ook kinderen moesten achterblijven in Nederlands-Indië

Schrijnende gevallen

Op elk van de elf schepen die in 1951 KNIL-soldaten naar Nederland voeren, zaten onvolledige gezinnen. Daar waren extra schrijnende gevallen bij, melden Fridus Steijlen en co-auteur Henk Smeets in hun boek In Nederland gebleven. Zo moest Piet Aheluheluw, wiens krijgsgevangen vader door de Japanners was onthoofd, zonder zijn moeder naar ons land varen. Omdat enkele kinderen uit een magazijn hadden gestolen, werden hun moeders (allen weduwen) op de bootreis naar Europa geweigerd.

 Kind meegesmokkeld

De vader van Wierdenaar George Samar smokkelde zijn enig kind, een dochter van 6 jaar, mee op een schip dat verboden was voor kinderen. Voor het eerst in zijn leven negeerde de KNIL-soldaat een dienstbevel. Toen het schip een paar dagen had gevaren, meldde hij zijn dochtertje als verstekeling. Samar senior werd bij aankomst ingerekend en veroordeeld tot zes maanden cel.

 

Geen gezinsleden opsporen

Gezinshereniging verliep stroperig of mislukte. De Nederlandse regering vond in 1954, drie jaar na de aankomst van de KNIL-families, dat alleen onvrijwillig achtergebleven familieleden daar recht op hadden. Geëist werd dat beide partners om hereniging vroegen, omdat inmiddels nieuwe relaties konden zijn ontstaan, blijkt uit stukken van de ministerraad. Premier Drees (PvdA) verzette zich tegen het opsporen van gezinsleden in Indonesië.

Slepend karakter

Bureaucratie in ons land en in Indonesië bemoeilijkte massale gezinshereniging. Toen de verhouding tussen het moederland en de eerdere kolonie verder verslechterde, zoals door de onafhankelijkheid van Nieuw-Guinea, werd het nog moeilijker gezinnen te herenigen. Rond 1965 wachtten nog 100 tot 125 personen op gezinshereniging. „Dat tekent het slepende karakter van de operatie”, aldus Steijlen en Smeets.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *